Hoogwatervluchtplaats

Hoogwatervluchtplaats.
Een verhaal in drie getijden.
geschreven voor Eilandproza, Oerol 2018, voorgelezen door Arjan Berkhuysen. 

1. Laag water
Zelfs haar krullen ruiken naar de zee. Ze stroopt de mouwen van haar veel te grote schipperstrui op, bukt voorover en plukt een klein glibberig visje tussen het net vandaan. ‘Kijk, alleen een babybotje. Die is in één hap – slik weg.’ Met grote zompende stappen loopt ze over het wad naar de waterlijn. Werpt het botje behoedzaam terug in de Waddenzee. ‘Zo jongen, kom jij maar terug als je wat groter bent!’

Ik sta nog steeds op de plek van de takkenfuik, in de drooggevallen slenk. Tussen mijn voeten glinstert en glibbert een kwallenfamilie van Italiaanse omvang in de waterige zon. Vastberaden komt Hannah teruggelopen, terwijl ze haar handen afveegt aan haar korte broek. Ze grijnst, pakt mijn hand en trekt me mee richting de Waddendijk: ‘Kom, Vaste-waller. We gaan terug! Kunnen we aan die vader van je vertellen hoe het met de visstand staat. Een paar krabben, een concertzaal vol kwallen en één botje dat de peuterleeftijd nog niet heeft bereikt. Een schamele opbrengst, als je het mij vraagt.’

Mijn laarzen slippen stuntelend over de dijkkeien, terwijl Hannah al bovenop staat te wachten. Buiten adem ga ik naast haar staan. Hannah stompt tegen mijn schouder en wijst in de verte, alsof ze aan de horizon een verleden ziet. ‘Mijn opa ving in het voorjaar soms wel 500 vissen in één tij. Vis voor de hele buurt! En dan roken, bakken, alles!

Hannah is van hier, van Terschelling, dochter van vissers. Dit is haar thuis. Er hangen zeekaarten aan de muur van haar slaapkamer, de duinen zijn haar achtertuin, haar broekzakken zitten vol strand, touwtjes en schelpen en ze klimt door het mulle zand de Raketduin omhoog alsof alleen zij de onzichtbare trap kent.

Ik, ik ben van overal. Zoon van een vader die voor het NIOZ en het Wereldnatuurfonds wereldwijd de visstand onderzoekt. Zoon van een moeder die als ingenieur oplossingen zoekt voor diadrome vissoorten. Vissen die zowel in zoet als in zout water leven, maar die over de hele wereld worden tegengehouden door dijken, stuwen en gemalen en daardoor bijvoorbeeld niet naar de kraamkamer kunnen die de Waddenzee is. Ze is één van de bedenkers van de geniale vismigratierivier: een ingenieuze doorgang in de Afsluitdijk.
Dus nu wonen we hier. Op Terschelling. Ik weet niet voor hoe lang, want uiteindelijk gaan we altijd weer weg. Verder.
Ze zeggen dat thuis de plek is waar je hart is.

Maar als dat zo is, kun je mijn hart in duizend kleine stukjes terugvinden op de zeven plaatsen waar we tot nu toe hebben gewoond. Ik weet niet waar mijn thuis is.

‘Wist je dat je aan de ringen op een mossel kunt zien hoe oud ‘ie is?‘ Hannah vouwt haar hand open en laat me de mosselschelp zien. Ik glijd met mijn vingers langs de ribbels op de schelp, grinnik, raak even Hannahs hand aan. ‘Deze hoort volgens mij in het bejaardenhuis.’ Ze kijkt me aan, vouwt haar hand om mijn kaak en kust me op het puntje van mijn neus.

‘Zilt,’ zegt Hannah. ‘Je smaakt zilt.’ Er tintelt iets in mijn onderbuik. ‘Ik geloof dat je inmiddels ook van hier geworden bent, Joris.’ Ik wil iets zeggen maar het lukt niet. Het voelt alsof mijn voeten wegzakken in warm, mul duinzand dat door de zomerzon is opgewarmd. Hannah kust me nogmaals: ‘Welkom thuis.’

2. Hoog water
Ik duw de achterdeur open van de recreatiewoning waar we voorlopig wonen open: ‘Volluk!’ Er zit een grote grijns op mijn gezicht. Heel lang heb ik het niet geweten, wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze gelukkig zijn. Maar het moet zoiets zijn als dit.
Dat ik weet dat ze de schaafplekken op mijn knieën zal aaien. De plekken waar het brandingzand de huid openschuurde tijdens het golfsurfen. Dat er iemand is die tegelijkertijd een plek is, een plek om te blijven. Dat je niet bezig bent met morgen of verder of anders of straks. Maar dat je hier bent. Nu.

‘Joris, daar ben je.’ Mijn ouders zitten aan de keukentafel, hun ellebogen leunen op het grofgeschuurde hout en hun handen zijn gevouwen alsof ze bidden voor hulp van boven. Ze kijken serieus. Te serieus.

‘We moeten praten, Joris. Ga zitten.’
Ik blijf staan, het is alsof Hannahs vissersouders met die woorden met scheepstouw een grote knoop in mijn buik leggen. Alle momenten dat we verder moesten begonnen zo. ‘Ga zitten.’ Alsof ze al dachten dat ik niet sterk genoeg was. Niet sterk genoeg om de boodschap van vertrek te dragen.

Nu blijf ik staan. De angst voor wat gaat komen slaat in grote golven tegen me aan. Ik voel me een wadloper die ergens verdwaald op een eindeloze vlakte volkomen overdonderd wordt door het opkomende water. Ik kijk om me heen, zoek naar iets om me aan vast te houden, pak de leuning van de stoel vast alsof het een reddingsboei is.

‘Het is echt een hele mooie kans, Joris. De Sabie-rivier in Zuid-Afrika. Hele bijzondere vissoorten. Tijgervis en Mozambique Tilapia.’
Ik hoor het maar amper. Alle tijgervis en tilapia van de wereld kan me gestolen worden. Er prikken tranen in mijn keel. Ik kijk mijn ouders aan en schud mijn hoofd. Ook al hoor ik bij hen, ik wil niet langer van overal zijn. Dat draagt onze familie al generaties met zich mee. We reizen van plek naar plek en ondanks al onze goede bedoelingen nemen we mee waarvan we denken dat van ons is. Mijn vaders vader schreef in 1948 ooit al op een oude Olivetti een proefschrift over hoe we zoveel mogelijk economisch van Indonesië konden profiteren. Ik weet niet hoe, maar ik wil niet langer van overal zijn.

Ik draai me om en ren de deur uit. De tuin door, het schelpenpad over en de duinen in. Het voelt alsof ik verdrink. Ik struikel over de stuifduinen, veeg mijn ogen droog en klim de Raketduin op. Laat me op het warme zand zakken. Waar ik ook kijk zie ik een plek die als thuis voelt. ’s Ochtends vroeg in zee zwemmen. Toeristen de weg wijzen. Van drijfhout hutten bouwen, ook al ben ik daar eigenlijk te oud voor. Maar ik weet het niet.

Ik weet niet of ik durf toe te geven aan het gevoel dat ik misschien wel hier hoor. Met blote voeten, buitenarmen, broekzakken vol strand, met touwtjes en met schelpen en met Hannah. Ik weet niet of ik van hier durf te zijn.

3. Laag water
‘Hier ben je! Ik heb letterlijk uren gezocht! Het is zelfs al weer bijna laag water, sufferd. Wat doe je hier?’
Uit de zak van haar jurk steken meeuwenveren. Ik wijs ernaar. Ik zoek naar woorden maar de wind lijkt er kleine hoopjes zand overheen te hebben geblazen.

Hannah trekt één van de veren uit haar zak, geeft ‘m aan mij en laat zich dan naast me zakken op de duintop. ‘Een nieuwe boekenlegger! Moet je kijken hoe scherp het contrast tussen het wit en het zwart is!’

Ze slaat een arm om me heen. ‘Je hoeft niets te zeggen. Laten we nog even hier zitten en dan gaan we naar het Noordzeestrand. Met dat zwoele zomerweer van vandaag is de kans op zeevonk groot. Jij kunt wel wat magie gebruiken.’ Ik knik.

Soms hoef je het niet uit te pluizen, die warboel aan gevoelens die zwaar als een grote scheepstros in je buik ligt. Soms is het genoeg om er naar te kijken, te wijzen en te weten dat het altijd weer eb wordt, altijd weer vloed. Dat een eiland ook nooit precies op dezelfde plek blijft liggen maar bijna ongemerkt over de wadbodem schuifelt als een kromgegroeide oude man.

Het strand is er altijd. In de branding glinsteren neonblauwe plekken. Ik schop mijn slippers uit en loop met mijn ogen dicht over de harde strandribbels. Af en toe prikt er een krabbepootje in mijn voetzool. Hannah doet een radslag en joelt: ‘Kijk Joris, volle maan.’

Ik trek een tak achter me aan door het donkere water en een fluorescerend blauw spoor licht op. Hannah heeft ook haar schoenen uitgetrokken en stampt als een peuter in de plassen. Felblauw water spettert rond haar kuiten. Ze giert het uit. ‘Kijk nou Joris, elke stap is een wonder!’

Het is er weer. Een vermoeden van geluk. Van hoe het is om het gevoel te hebben dat je ergens hoort. Ik kan het bijna aanraken.
Ik pak haar hand, fluister. ‘Ik weet het nog niet zeker Hannah, of dit mijn thuis is. Het voelt alsof het springvloed is terwijl ik niet goed zwemmen kan. Ik weet niet of jij de plek bent waar ik wil blijven. Maar wil je in elk geval voorlopig, tot het water straks weer zakt, mijn hoogwatervluchtplaats zijn?’