Aron

Met ‘Aron’ won ik een eervolle vermelding bij de Boekenweekschrijfwedstrijd 2015 vanwege de ‘afgemeten, bijna ijle schoonheid van de vertelling’.

Aron

Voor jou zou ik
de krater van de Katla
beklimmen, Aron.

Op blote voeten over het koude gletsjerijs rennen en inslapen op de spoelzandvlaktes.

Ik zie ze nog,
je schouders die zich losschudden van de haven,
hoe je niet achteromkijkt en waar net jij nog stond,
alle twijfeltranen en tederheid ten spijt,
het houten huis om mijn hart instort tot wrakhout.

En ik grijp om me heen Aron,
de planken, de latten, de spijkers,
en ik wil niet weten,
dat je met splinters en verlangen alleen,
geen hús kunt herbouwen.

Ik voel alleen,
hoe het drijfijs in de Groenlandzee,
je omhelst als de zachte armen
van een andere vrouw,
hoe je er wars van bent,
de saga’s die ik ’s avonds in je oor fluisterde,
hoe je liever heilbot en schol vangt,
dan beloftes voor later.

Maar wat kan ik anders dan
de Edda lezen Aron?

Dan de fjorddorpel die je met je sterke zeemansarmen
tussen ons hebt opgetrokken steeds weer in de wind slaan.

Mijn borsten zijn zo zacht niet meer,
maar ik kan deinen als de zee,

Aron.

Ze stapte het ijskoude water in en rilde. Mývatn. Muggenmeer. In hun eerste zomer had ze hier
lachend toegekeken hoe hij op een zeldzame windstille dag de dansmuggen van zich afsloeg. ‘Ze
steken niet Aron, ze dansen alleen.’

De kou beet onbarmhartig in haar blote benen. Sterven. Ze had gedacht dat het gemakkelijk zou zijn.
Ze keek naar de afbladderende nagellak op haar tenen, omklemde het doosje. Ze had zich vergist.

Voor de vogels was ze naar IJsland gekomen. Met een beurs van SOVON vogelonderzoek
bestudeerde ze of Nederlandse Bonte Vliegenvangers zich ook konden redden in het koudere IJslandse
klimaat. Ze had Aron gevonden.

Ze probeerde het wijsje te neuriën dat hij had gefloten toen ze hem voor het eerst had gezien. Haar
warme adem wolkte in de lucht. Niet aan de kou denken. Haar handen trilden. Aan de huid van de
handen van een vrouw zie je haar echte leeftijd, had haar moeder altijd gezegd. Hij had haar licht
gerimpelde handen vastgehouden, de eerste ouderdomsvlekjes geaaid en toch had hij haar geneukt
alsof ze dertig was. Alsof ze hem een kind kon geven.

Houten hutjes bouwde hij, op de camping waar ze de vogels los had gelaten. Hoe zijn armen de bijl
optilden en lieten vallen. Hoe het scherp van de snede het hout doorkliefde alsof het haar hart was.
Verdomme.

Ze deed een stap naar voren, dacht aan de duizendenmiljarden kiezelwieren op de bodem van het
meer. Als ze haar zouden vinden, zouden de eencellige kiezelwieren in haar longen het verhaal van
haar verdrinkingsdood vertellen. Ze kon nu niet meer terug.

Ze had het zich maar even afgevraagd, hoe het kon. Dat zo’n jonge sterke visserszoon haar borsten
wilde aanraken. Een huis met haar wilde bouwen. Met zijn hoofd op haar buik wilde inslapen. Hij gaf
haar niet alleen zijn land, maar ook zijn lichaam. Nam haar mee naar de geisers, de gletsjers, de
Landmannalaugar. Hij tilde haar op, kuste haar ruig en ze vergat steeds vaker de vogels te tellen.

Ze las de Edda en fluisterde ’s nachts flarden van de heldenliederen in zijn oor. Ze wilde hem alles
geven. Ze wilde zijn later zijn. In het houten hús dat hij voor haar had gebouwd waren ze samen. Nog
een paar keer stuurde ze haar Bonte Vliegenvangerrapporten naar Nederland. Maar het hoefde niet
meer. Haar Leica Ultravid 10×42 verrekijker hing werkeloos aan de kapstok. Ze stookte het vuur hoog,
bluste de fjordmosselen af met witte wijn en duwde ’s nachts haar warme borsten tegen zijn rug.

Je kunt vallen. Hard vallen. Ze ademde diep in. Aron. Met zijn vingertoppen had hij zachtjes sporen
over haar gezicht getrokken, iedere keer dat hij in de haven van Seydisfjordur de zee opzocht. Thuis
had ze met de punt van een mes in de planken de dagen geturfd. Het waren er teveel.

Nog een paar stappen en het ijzige water zou haar lange lokken raken. Ze wist dat ze naakt moest zijn.
‘Naakt ben je het mooist,’ had hij steeds gezegd voordat hij nog een blok hout op het vuur gooide en
haar kleren uittrok.

Ze had het eerst niet gezien. Hoe zijn wangen rood van opwinding waren als hij terugkwam van zee.
Ze had het niet willen horen. Hoe hij het drijfijs bezong en steeds weer, steeds weer over de vissen
begon. Zij had toch ook haar vogels voor hem vergeten. Zij was voor hem in dat verdomde houten
huis gaan wonen. Waarom bleef hij dan toch steeds langer op zee?

Ze had haar woorden zorgvuldig uitgekozen. Hij zou het begrijpen, dat wist ze zeker. Ze zouden hem
het doosje bezorgen en hij zou de brief lezen en hij zou sorry tegen haar willen zeggen. Hij zou haar
vinden.

Ze wist dat ze nog drie stappen zetten moest. Ze voelde bijna niets meer. Neuriede nog één keer zacht
het wijsje en zakte langzaam onder water. Dit was het mooiste dat ze hem kon geven. Ze zou dansen
als de muggen. Ze zou deinen als de zee.